Budgetschilderij

Schilders

Op deze pagina treft u beknopte informatie aan over een aantal beroemde schilders. De schilders zijn alfabetisch gerangschikt (op achternaam; tenzij een schilder bekend is geworden onder zijn voornaam). Voor uitgebreidere informatie verwijzen wij u naar de pagina Informatie, afbeeldingen en musea.

Sandro Botticelli, 1445 – 1510. Botticelli, die eigenlijk Alessandro Filipepi heette, werd zo genoemd door zijn broer omdat hij zo dik was: botticelli betekent “vaatje”. Zijn 2 beroemdste werken zijn wel Primavera en De geboorte van Venus, beiden in opdracht van de familie De Medici gemaakt. De Primavera is een allegorie op het begin van de lente; de geboorte van Venus toont niet de geboorte (uit zeeschuim) , maar de aankomst van Venus op een schelp op het eiland Cythera.

William-Adolphe Bouguereau, 1825 – 1905. Zijn realistische genre-schilderingen (schilderijen die het gewone leven uitbeeldden) en schilderijen over mythologische thema`s werden gedurende zijn hele actieve leven tentoongesteld op de jaarlijkse tentoonstellingen van de Parijse "Salon". Bouguerau verzette zich hevig tegen de opkomst van het impressionisme.

George Hendrik Breitner, 1857 – 1923. Een beruchte uitspraak van Breitner is dat Van Gogh "kunst voor eskimo’s" maakte. Waar de post-impressionist van Gogh met behulp van sterke contrasten en kleurstellingen zijn eigen perceptie van de wereld probeerde weer te geven, probeerde Breitner juist een pure, kale werkelijkheid te tonen. Amsterdam bleek hiervoor een prima werkplek. Hier schilderde hij zijn stadsscènes en stadsgezichten.

Pieter Bruegel de Oude, 1520 – 1569. Tot 1559 maakte hij vooral gravures en prenten (ontwerpen voor wandtapijten). In 1559 komt er plots een totale ommekeer: Bruegel gaat nog enkel schilderen. Het ene meesterwerk volgt snel een ander op. Bruegel is ongetwijfeld de meest volledige landschapsschilder van zijn tijd; niemand anders schilderde de natuur, in de loop van de seizoenen, zo natuurlijk, krachtig, precies en veelzijdig. Hij maakte geen "foto", geen realistische nabootsing, maar "componeerde" een landschap en vreemde elementen (rotsen, water) tot een  kosmisch tafereel.

Michelangelo Merisi da Caravaggio, 1571 – 1610. Caravaggio was een belangrijke Italiaanse kunstschilder in de Barok. Aan het eind van de 16e eeuw was hij een veelgevraagd schilder, maar zijn korte leven was een aaneenschakeling van schandalen. In 1606 vluchtte hij uit Rome nadat hij zijn tegenstander in een zwaardgevecht had gedood. Vier jaar later stierf hij totaal berooid. Hij is de geschiedenis ingegaan als kunstschilder van het clair-obscur, het dramatische licht-donker contrast dat zijn figuren in theatrale lichtbundels laat opdoemen tegen een duistere achtergrond.

Paul Cézanne, 1839 – 1906. Cézanne maakte ongeveer 950 olieverfschilderijen en tegen de 650 aquarellen. In het werk van Cézanne speelt licht en kleur een zeer grote rol. Door het kleurgebruik is zijn werk echter niet zuiver impressionistisch, maar loopt het al vooruit op het expressionisme. Zo gebruikt Cézanne vaak warme en koele kleuren tegen elkaar aan. Door zijn soms hoekige vormentaal wordt zijn werk door sommigen al tot het kubisme gerekend. Ook gebruikt hij massievere en helderder kleuren dan zijn tijdgenoten, de impressionisten. 

John Constable. 1776 – 1837. Constable was een Engels landschapsschilder en aquarellist. Zijn landschapsschilderijen schilderde hij vooral in zijn omgeving: het gebied rond Dedham Vale in Suffolk staat bekend als `Constable Country`. Constable was vooral geïnteresseerd in lichteffecten en wolkenluchten. Ook schilderde hij enkele prachtige kustgezichten. Zijn gedegen voorbereidende studies vormen een mooi onderdeel van zijn werk.

Gustave Courbet, 1819 – 1877. Courbet schilderde taferelen uit het dagelijks leven, naakten en gevarieerde landschappen. Het vernieuwende aan zijn werk was het realisme; taferelen uit het dagelijks leven werden hoofdonderwerp. Daarbij maakte hij de werkelijkheid niet mooier dan ze was, zoals velen van zijn tijdgenoten. Dit leidde voortdurend tot schandalen in het Franse culturele leven.

Edgar Degas, 1834 - 1917. Degas was een Frans impressionistisch kunstschilder en beeldhouwer. Als puur impressionist valt Degas niet vol te houden. Daarvoor bleef hij te trouw aan de classicistische tekenlijn van Ingres en David en bleef hij afzijdig voor de impressionistische kleurenscheiding. Gefascineerd door de muziek en het theaterleven tekende en schilderde hij vele beroemde balletscènes.

Eugene Delacroix, 1798 – 1863. Delacroix wordt gezien als de belangrijkste Franse vertegenwoordiger van de Romantiek. Na een reis naar Marokko en Algerije werden de lichtwerking en kleuren in zijn doeken nog meer benadrukt. Ook is er in zijn thematiek een grotere nadruk op het oriëntalisme, het exotisme, het erotisme en de strijd tussen het wilde, primitieve dier en de mens, allemaal typerende kenmerken van de Romantiek.

El Greco, 1541 – 1614. Domenikos Theotokopoulos, beter bekend als El Greco (de Griek), was een Griek die vooral in Spanje werkte. Hij was erg geliefd onder hoogwaardigheidsbekleders en schilderde vooral religieuze werken en portretten. De schilderijen van El Greco onderscheiden zich door de langgerekte vormen en de expressieve kleuren; hij bevrijdde zich van de exacte vorm, licht en kleuren van zijn onderwerpen.

Paul Gauguin, 1848 – 1903. Na zich eerst aangesloten te hebben bij de impressionisten, begon Gauguin tijdens zijn periode in Bretagne een eigen stijl te ontwikkelen. Hij schilderde daar de vrouwen in klederdracht in een zeer verstilde en geconcentreerde stijl, die vooral de rust en de eenvoud van het boerenleven weer schijnt te geven. Na zijn vertrek naar de tropen bereikt Gauguin de toppen van zijn kunstenaarschap: het prachtige kleurgebruik, en de indringende blikken van de Polynesische vrouwen, zijn voor de liefhebber van het werk van Gauguin een waar genoegen.

Vincent van Gogh, 1853 - 1890. Van Gogh wordt tegenwoordig gezien als één van de grootste schilders aller tijden. Deze erkenning kwam echter pas laat. Tijdens zijn leven heeft hij slechts één schilderij verkocht. Er verliepen maar 3 jaar tussen het zwaarmoedige `De aardappeleters` en zijn kleurrijke werken in Arles. Van Gogh produceerde al zijn werk in een periode van 10 jaar, voordat hij begon te lijden aan een zenuwziekte. Na zijn dood groeide zijn roem snel.

Francisco José De Goya y Lucientes, 1746 – 1828. Goya was vooral portretschilder van de Spaanse koninklijke familie. Zo was hij hofschilder van koning Karel IV. Goya maakte naast de schilderijen van hoge geestelijken ook etsen die hij in grote oplagen drukte en die verhandeld werden in vele steden, ook buiten Spanje. Goya verzuimde niet de corruptie van de kerk en de gruwelen van de oorlog in zijn werk te verbeelden. De Spaanse Inquisitie was in die tijd machtig en bemoeide zich dan ook met Goya’s werk, waarna hij in ballingschap in Frankrijk ging.

Juan Gris, 1887 - 1927. Gris (oorspronkelijke naam: José Victoriano González-Pérez),  was een Spaanse kunstschilder. Gris woonde het grootste deel van zijn leven in Frankrijk. Het werk van Gris staat dicht bij het kubisme. Hij gebruikte monochrome grijstinten en aardkleuren in zijn schilderijen. Vanaf 1913 begon hij kleurrijker te schilderen, maar steeds in kubistische stijl. Vanaf 1913 begon Gris ook de collagetechniek te gebruiken.

Frans Hals, 1583 – 1666. Hals was een Nederlands portretschilder in de 17e eeuw.  Zijn wereldwijde faam dankt hij vooral aan de levendige en kleurrijke schuttersstukken en de groepsportretten van regenten en regentessen. Vaak wordt gedacht dat Hals zijn werken in één worp op het doek slingerde. Duidelijk is inmiddels dat dat beeld niet klopt. Een enkel werk is weliswaar grotendeels ‘alla prima’ neergezet, dus zonder ondertekeningen of onderschildering, maar de meeste werken ontstonden zoals gebruikelijk toch in verschillende lagen.

Gustav Klimt, 1862 - 1918. Om zich af te zetten tegen de traditionele opvattingen richtte Klimt de Wiener Secession op, de Oostenrijkse variant van de jugendstil. Symboliek, erotiek en uitgesproken zin voor het decoratieve en bevallige verfijning kenmerken zijn schilderijen en tekeningen. In zijn allegorische voorstellingen en in zijn talrijke portretten weeft hij op een ongeëvenaarde manier gestileerde kleurvlakken door elkaar als een soort patch-work.

Barend Cornelis Koekkoek (1803-1862) was al in zijn eigen tijd een beroemd kunstschilder om zijn romantische weergave van landschappen. Zijn schilderkunst is als romantisch te bestempelen omdat het geen exacte maar poëtische weergave van de natuur is. Vaak bestaan zijn schilderijen uit een bos met een kasteel of ander gebouw op de achtergrond. Opmerkelijk is de rol van het licht in de doeken van B.C. Koekkoek. Licht was een element in zijn schilderkunst, waar B.C. Koekkoek zelf veel belang aan hechtte getuige zijn uitspraak uit 1841: "Beschouwt vooral de werking van het licht, want dat is de ziel van alles". 

 

August Macke, 1887 – 1914. Macke was een Duits expressionist. In zijn jonge jaren werd hij met name door de werken van Manet geinspireerd; de vormen en de kleuren waren het belangrijkst. Iets later zocht Macke naar een synthese van licht en kleur, Na een studiereis naar Noord-Afrika maakte Macke allerlei kunstwerken met daarin de motieven die hij op zijn reis gezien had.

Kazimir Severinovitsj Malevitsj, 1878 - 1935. Malevich was een Oekraïens kunstschilder die grote bekendheid in West-Europa kreeg als theoreticus van het suprematisme als moderne kunstrichting. Hij koos voor een geometrische vormontleding, die hij combineerde met een lyrisch kleurenbeeld en die zou leiden tot de bekende futuristische figuratie van de kunstenaar. Rond 1915 definieert Malevitsj zijn werk als het Suprematisme, als "de absolute macht van de beeldende expressie. Onder suprematisme versta ik de suprematie van de zuivere ervaring in de beeldende kunst".

Édouard Manet, 1832 – 1883. Manet is vooral beroemd geworden om zijn schilderijen van het moderne Franse leven. Hij wordt soms beschouwd als impressionist, maar dit is niet juist, hoewel hij later wel door hen beïnvloed werd. Manets ideeën waren heel anders en dat gold ook voor zijn werkwijze. Zo werkte hij bijvoorbeeld vooral in zijn atelier, weinig “en plein air” (in de open lucht). Ook was zijn kleurenpalet, zeker in het begin van zijn carrière, minder helder en gebruikte hij veel zwart.

 Franz Marc, 1880 – 1916. Hij legde zich vooral toe op dierenportretten, waarbij hij niet zozeer de uiterlijke verschijningsvorm, als wel de innerlijke essentie van het dier probeerde te vatten. Hierbij speelde de door hem ontwikkelde kleurensymboliek een grote rol. Zo stond blauw bijvoorbeeld voor "het mannelijke principe, stug en geestelijk" en geel voor "het vrouwelijke principe, zacht, vrolijk en zinnelijk". Onder invloed van het kubisme vereenvoudigde hij ook de vormen sterk.

Michelangelo di Lodovico Buonarroti Simoni, 1475 -1564. Michelangelo (eigenlijk zijn voornaam) werd bekend als architect en kunstschilder. Zijn fresco “Het laatste oordeel” en “De schepping” in de Sixtijnse kapel van het Vaticaan zijn wereldberoemde fresco’s (muurschilderingen). Liefde is zeer belangrijk in het oeuvre en leven van de kunstenaar. Zijn werken belichamen de liefde voor de goddelijke schepping, zowel in het marmer, de schilderkunst als de mannelijke schoonheid.

Jean Francois Millet, 1814 – 1875. Millets grote kracht lag in zijn tekenwijze, zijn monumentale vormgeving en compositie. De Fransman Millet speelde met zijn schilderijen een vernieuwende rol in de overgang van de Academische traditie naar de Franse avant-garde kunst. Vooral zijn visie op de boerenstand is vernieuwend. Boeren werden voorheen helemaal niet geschilderd. Maar Millet was er trots op van boerenafkomst te zijn. Millets schilderijen veroorzaken halverwege de 19e eeuw heftige reacties. De grove boeren, werkend op het land, zoals De Zaaier, ontstemmen het kunstminnend publiek.

Amedeo Clemente Modigliani, 1884 – 1920. De schilderkunst van de Italiaan Modigliani is herkenbaar aan de langgerekte lichamen van de vrouwen en de warme gloeiende kleuren. Het werk van Modigliani omvat vrijwel alleen afbeeldingen van mensen, en dan nog voornamelijk vrouwen. Opvallend, zeker voor die tijd, is dat de vrouwen zichzelf volledig bloot geven. Wellicht wetende dat zijn leven vanwege zijn zwakke gezondheid toch niet lang zou zijn, droeg hij een doodswens met zich, dronk continu en gebruikte grote hoeveelheden verdovende middelen, met name opium.

Claude Monet, 1840 - 1926. De Fransman Monet begon op 24-jarige leeftijd met het schilderen van landschappen in zijn omgeving. Bijvoorbeeld in Argenteuil en in Giverny, waar veel befaamde werken geproduceerd zijn, zoals zijn klaprozen en de Japanse brug in zijn tuin. Daar schilderde hij zoals de impressionisten dat wilden: vastleggen wat zij zagen in de werkelijkheid. Het schilderij `Impression, soleil levant` uit 1872 gaf aanleiding tot de naam Impressionisme. Monet heeft ook in Amsterdam (Zuiderkerk) en de Zaanstreek (molens) geschilderd.

Alphonse Maria Mucha, 1860 - 1939. Mucha is een in Tsjechië geboren kunstenaar. Zijn werken zijn onlosmakelijk verbonden met de Jugendstil kunststroming, populair aan het begin van de twintigste eeuw. In 1894 brak hij in Parijs door met een affiche voor het toneelstuk Gismonde. Zijn werk bestond voornamelijk uit affiches maar hij maakte ook decors, meubelen, kostuums en juwelen. De affiches werden toentertijd zelfs van de straat geroofd. Zijn stijl kenmerkt zich door de sierlijke lijnen, frisse pastelkleuren en weelderige motieven.

Camille Pissarro, 1830 – 1903. Pissarro was een Deens kunstschilder die vooral in Frankrijk heeft gewerkt. Hij was altijd op zoek naar nieuwe vormen en werd zo een van de meest vernieuwende onder de impressionisten. Hij was een van de eersten die de kleuren ging opdelen, zoals in zijn werk De Tuin van Les Mathurins bij Pontoise, 1876, waarin het zonovergoten pad bestaat uit blauwe, witte, gele en roze penseelstreken (pointillisme).

Rafaël Santi, 1483 – 1520. Rafaël geldt als een briljant portretschilder, onder andere door zijn Madonna’s. Daarnaast was hij verantwoordelijk voor de decoratie van 4 zalen in de Vaticaanse musea. Overigens was Rafaël zelf overtuigd atheïst. Hij stierf al op 37-jarige leeftijd en ligt begraven in het Pantheon.

Rembrandt Harmenszoon van Rijn, 1606 - 1669. Rembrandt wordt algemeen beschouwd als de belangrijkste Hollandse meester van de 17e eeuw. Hij beschouwde zichzelf als een historie- en portretschilder en maakte opvallend veel zelfportretten. Rembrandt vervaardigde in totaal ongeveer driehonderd schilderijen, driehonderd etsen en tweeduizend tekeningen. Zijn opmerkelijke beheersing van het spel met licht en donker, waarbij hij vaak scherpe contrasten neerzette, om zo de toeschouwer in het schilderij binnen te leiden, leidde tot levendige scènes vol dramatiek.

Pierre-Auguste Renoir, 1841 - 1919. Renoir was een Franse impressionist, die in de jaren `80 zijn stijl aanpaste naar een vastere vorm en compositie met koele kleuren. Later keerde hij terug naar de warme kleuren en vrijere penseelvoering. In 1986 werden 32 van zijn werken tentoongesteld in de Verenigde Staten, waarna deze grote markt ontsloten werd voor het impressionisme.

Peter Paul Rubens, 1577 – 1640. Rubens, geboren in Duitsland, staat bekend als een Vlaams kunstschilder en diplomaat. De stijl van Rubens behoort  tot de Antwerpse school uit de vroege 17e eeuw. Rubens is waarschijnlijk de belangrijkste vertegenwoordiger van de Vlaamse barok, alhoewel hij duidelijk een Italiaanse invloed onderging. Hoewel hij tegenwoordig vooral bekend lijkt als schilder van mollige vrouwen, maakte hij vooral altaarstukken en portretten.

Jacob van Ruisdael. 1628 – 1682. Tijdens studiereizen kwam Van Ruisdael in aanraking met ruige landschappen. Dit beïnvloedde zijn werk blijvend en hij beeldde met grote regelmaat ruige woeste landschappen af met daarin watervallen, naaldbossen en heuvels onder stormachtige luchten. Typisch aan Van Ruisdaels werk is dat het geen directe weergave van de werkelijkheid is. De landschappen zijn poëtischer, imposanter en dramatischer dan in werkelijkheid en zijn nauwkeurig gecomponeerd.

Egon Schiele, 1890 – 1918. De jeugd van de Oostenrijker Schiele was zwaar: zijn vader overleed vroeg, een zusje was jong gestorven en in het gezin werden bovendien twee kinderen levenloos geboren. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat in het werk van Schiele de dood een grote rol gespeeld heeft, bijvoorbeeld in De dode moeder en De dood en het meisje. Schiele gebruikte veelal krachtige hoekige lijnen. De afgebeelde lichamen worden hierdoor als vreemd en vaak beangstigend ervaren door de toeschouwer.

Georges Seurat, 1859 – 1891. Hij legde zich toe op de theoretische grondslagen van de kleurwerking. Zijn techniek van de weergave van licht door gebruik te maken van kleine penseelstreken met contrasterende kleuren werd bekend als pointillisme of divisionisme. Zijn vormgeving is evenwichtig, strak en geometrisch van opbouw. De stijl van Seurat onderscheidt zich van het impressionisme onder andere doordat hij al spoedig geen aandacht meer schonk aan het natuurlijke licht maar de meeste van zijn grote werken in zijn atelier vervaardigde.

Jan Havicksz. Steen, 1629 – 1676. Het dagelijks leven was Jan Steens belangrijkste onderwerp. Veel van de taferelen waren levendig, zelfs chaotisch en wellustig. Dergelijke taferelen waren zo kenmerkend dat ”Een huishouden van Jan Steen” een veelgebruikt Nederlands gezegde is geworden. Subtiele hints en vele symbolen in zijn schilderijen maken aannemelijk dat Jan Steen de kijker niet zozeer wilde uitnodigen om het getoonde na te bootsen, als wel wilde vermanen. Veel van Steens schilderijen refereren aan oude Nederlands spreekwoorden of literatuur.

Henri de Toulouse-Lautrec, 1864 – 1901. In het nachtelijk leven van Parijs vindt Toulouse-Lautrec de vrijheid om te schilderen wat hem boeit: het leven zelf, de mensen die hem interesseren in een omgeving die hij kent. Hij schildert in milieus die pas opbloeien bij kunstlicht. Dit is volledig in tegenstelling tot de toen geldende principes van het impressionisme waarbij de effecten van het licht in het landschap gezocht worden. Voor die tijd is Henri`s werk uiterst ongewoon en gewaagd en de verguizing niet gering.

William Turner, 1775 – 1851. Turner wordt over het algemeen gezien als de "schilder van het licht". De latere werken van Turner vertonen steeds meer een aquarelachtige vervloeiing van de vormen, waarmee Turner wel gezien kan worden als één van de vroege voorlopers van het impressionisme. Zijn werken waarin voorwerpen geheel versmelten met het licht werd door het publiek echter minder goed begrepen dan zijn eerdere landschapsschilderijen.

Diego Rodríguez de Silva y Velázquez, 1599 -1660. Velázques was een Spaanse kunstschilder die aan het hof van koning Filpe IV was verbonden. Hij maakte daar vele portretten van de koninklijke familie. Velázquez interesseerde zich voor alle facetten van het bestaan : voor het licht dat op een kruik, een stuk stof of een karaf met water valt, voor kleurnuances en schaduwen - maar vooral voor de blik in de ogen van mensen, voor de kleine trekjes rond hun mond, voor de lijnen in hun gezicht.

Johannes Vermeer, 1632 – 1675. Vermeer was één van de beroemdste Nederlandse kunstschilders uit de Gouden Eeuw. Hij woonde met zijn vrouw, schoonmoeder en 11 kinderen in Delft, ploeterend om zijn jaarlijkse quotum van 2 schilderijen te halen en zich alle schuldeisers van het lijf te houden. De meeste van zijn beroemdste schilderijen beelden intieme, serene en burgerlijjke taferelen af, waarop de afgebeelde personen met dagelijkse activiteiten bezig zijn en min of meer door de schilder betrapt lijken.

Leonardo da Vinci , 1452 – 1519. Da Vinci was een beroemde Italiaanse architect, uitvinder, sterrenkundige, beeldhouwer, componist én schilder uit de Renaissance. Een geniaal maar controversieel persoon die regelmatig met de kerk in de clinch lag, bijvoorbeeld omdat onderzoek naar de menselijke anatomie niet in goede aarde viel. Slechts 17 van zijn doeken zijn bewaard gebleven, waaronder de wereldberoemde Mona Lisa.. Pas begin 2008 werd bekend dat Lisa del Giocondo was model heeft gestaan voor dit schilderij.

John William Waterhouse, 1849 – 1917. John William Waterhouse werd geboren in Rome. Zijn vroege kennismaking met de klassieke erfenis van Italië had een diepe invloed op zijn latere werk, dat vol zat met mythologische onderwerpen en literaire allegorieën. Waterhouse behoorde tot de zgn. pre-raffaellieten die trachtten de zuiverheid op te roepen van de vroege Italiaanse kunst van vóór Rafaël.